Ivo de Graad is pianist, zanger, acteur én ervaringsdeskundige op het gebied van leven met een licht verstandelijke beperking. Hij woont met 24-uurs begeleiding en staat met trots op het podium in VONK. Voor hem is theater niet zomaar een hobby meer: het is een essentieel onderdeel van zijn werk en zijn leven. In dit interview vertelt hij hoe hij bij de voorstelling terechtkwam, wat hem het meest raakt en wat hij hoopt dat VONK in gang zet in de gehandicaptenzorg.
Hoe ben je bij de voorstelling terechtgekomen?
‘Ik heb meegespeeld in de vorige voorstelling van theatermakers Anne en Vera: De Verwanten. We hebben toen met een klein team door het hele land getourd. Een jaar geleden werden Anne en Vera gevraagd om een nieuwe voorstelling te maken over de gehandicaptenzorg, waar AI een rol in zou spelen. Niet lang daarna ging ook bij mij de telefoon: of ik mee wilde doen als ervaringsdeskundige. Toen ben ik direct ingestapt.’
Waar gaat VONK volgens jou over?
‘VONK gaat over de toekomst van de gehandicaptenzorg en over de rol die AI daarin gaat spelen. AI krijgt namelijk een steeds grotere plek in het dagelijks leven. Je vraagt jezelf soms echt af: is dit echt, of is dit door AI gemaakt? Als we niet oppassen, gaat AI misschien een té grote rol spelen in de begeleiding van mensen met een beperking.’
‘Ik ben in de voorstelling de stem vanuit de gehandicaptenzorg en ik laat mijn licht schijnen op de zaak. Sommige dingen kan AI goed overnemen, zoals administratie. Maar menselijk contact kan AI nooit vervangen, hoe empathisch ze het systeem ook trainen.’
Waarom is het belangrijk dat zorgmedewerkers deze voorstelling zien?
‘Aan het eind van de voorstelling krijgt het publiek een belangrijke vraag: wat is jouw vonk? Wat mag nooit verloren gaan in het werk? Onder de stoelen liggen kaartjes en iedereen mag opschrijven wat hen gaande houdt. Die worden gebundeld en aan het eind van de voorstelling voorgelezen. Dat vind ik heel mooi, want die drijfveren gaan altijd over liefde voor het vak, zorgen dat bewoners zich op hun gemak voelen, er zijn voor de cliënten en voor collega’s.’
Welke scène in de voorstelling is voor jou het meest bijzonder?
‘Er is een lange scène waarin Dina en Angel, gespeeld door Anne en Vera, worden geïntroduceerd. Ze zijn elkaars tegenpolen. Dina kijkt graag vooruit, maar Angel houdt zich liever vast aan wat al goed werkt. Dat botst flink.’
‘Terwijl die scène speelt, ben ik handen aan het knopen met linten. Als je de voorstelling niet hebt gezien, klinkt het misschien gek. Maar tijdens de voorstelling snap je precies wat het betekent. Aan het eind gaan al die handen de zaal in, helemaal naar achteren, zo wijd mogelijk. Iedereen houdt elkaars handen vast. Dat moment… dat is echt magisch. De gedachte erachter is: iedereen is verbonden, en we hebben elkaar heel hard nodig.’
Hoe reageert het publiek?
‘Dat verschilt per zaal. Soms wordt er al gelachen bij scènes waarvan ik denk: er komt nog zoveel grappigs. En soms moet je net wat harder werken voor een reactie. Maar achteraf zijn ze altijd eensgezind. En ze vinden het erg knap dat ik alles uit mijn hoofd speel. Tja, ik ben acteur. Ik heb een manier gevonden om teksten te leren en dan gaat het eigenlijk vanzelf.’
Als jij één wens mocht doen voor de toekomst van de gehandicaptenzorg, wat zou dat zijn?
‘Blijf kijken naar wat mensen echt nodig hebben. Word niet te afhankelijk van AI. Laat AI vooral de dingen overnemen die veel tijd kosten, zoals roosters maken en administratie. Daar wordt de begeleiding denk ik heel blij van. Maar het menselijke contact in de gehandicaptenzorg mag nooit verloren gaan!’
